| Uiterlijke kenmerken
|
| Een hoogruggige, aantrekkelijk getekende, vreedzame graag in scholen levende soort, die in importzendingen vaak niet herkend en dan onder de verkeerde naam verhandeld wordt. Kenmerkend zijn de oranje voorste borstvinstralen en de donkere grondkleur van de kop, onderbroken door onregelmatig gevormde, lichte vlekken.
|
| Huisvesting
|
|
|
| Voeding
|
| alleseter (voorkeur gaat uit naar levend voer)
|
| Kweek
|
| Wil men met de Corydoras-soorten kweken, dan moet men zich goed realiseren dat het scholenvissen zijn. Men plaatst dus verscheidene exemplaren in de kweekbak. waarbij meer mannetjes moeten zijn dan vrouwtjes. De vrouwen zijn alleen te herkennen aan hun robuustere bouw. Bij een temperatuur van ca. 24°C worden de eieren, variërend in aantal van 100-300 stuks, in groepjes van enkele exemplaren aan de planten, ruiten, rotspartijen of kienhout afgezet. De jongen worden op de gebruikelijke wijze grootgebracht, dus met slootinfusie, gevolgd door Artemia-naupliënen en later gezeefde watervlooien. Een moeilijkheid hierbij is dat de jongen het donkere gedeelte van de bak opzoeken en het voer het lichtste. Men moet dus de waterstand verlagen en de bak rondom dichtplakken, zodat het licht van boven komt en overal even sterk is. Een ander probleem bij het kweken van deze vissen is dat hun paartijd vaak slechts enkele maanden per jaar duurt. Inmiddels behoort de Corydoras Sterbai tot de eenvoudigst te kweken corydorassen, al is de opfok van de jongen lastig.
|
| Overige bijzonderheden
|
|
|
|
|
|
| Taxonomische indeling
|
| Orde
| Siluriformes
|
| Familie
| Callichthyidae
|
| Geslacht
| Corydoras
|
| Herkomst
| Rio Ucayali, Yarina Cocha, Peru
|
| Nederlandse naam
|
|
| Vereisten
|
| Min. aquariumlengte
| 80 cm
|
| Min. aantal
| 8
|
| Verhouding m:v
|
|
| Stroming
|
|
| Temperatuur
| 23 - 26 °C
|
| pH
| 6,5 - 7,5
|
| GH
| 5 - 1
|
| Eigenschappen
|
| Lengte
| 8 cm
|
| Waterlaag
| onderste
|
| Synoniemen
|
|
|
| Ontdekker
|
|
|
|